Net als de vorige twee delen is dit fantasy vermomd als scifi. Op zich een leuk idee: het is space opera, een genre normaalgesproken gereserveerd voor science fiction en geproduceerd door grote namen. Het is een goeie les: let er altijd op dat er ‘science fiction’ op de kaft staat, anders kan je rustig vergeten dat dat het is. Wat dat betreft, past het goed in de verderfelijke gewoonte van boekhandels om scifi en fantasy als één genre te behandelen.

Wat een worsteling om door te komen: eindeloze overpeinzingen en beschrijvingen van landschappen en geschiedenissen van rassen die allang zijn uitgestorven en voor het verhaal totaal irrelevant zijn. Het resultaat is een verhaal met heel veel perspectief maar bijna geen breedte. Het is alsof je de schrijver op de grond ziet zitten en ruimtescheepjes tegen elkaar aan ziet slaan terwijl hij “Pieuw! Knal!” roept.

ascendentstarsEr zitten leuke scènes tussen. Zo verkent Cobley ‘the Glow’, een soort geëvolueerd internet, die door de mensen op Aarde als entertainment wordt gebruikt. Zijn politieke spelletjes zijn aardig, alsmede zijn blik op de mogelijke toekomst van AI. Deze scènes zouden prima korte verhalen zijn. Het is jammer dat de schrijver te vaak komt met dingen die van toevalligheden aan elkaar hangen, karakters die tóch niet dood blijken ook al leek dat eerder wel zo, … Van het soort ‘net toen iedereen op het punt stond om te verliezen, kwam er een tovenaar en die zwaaide met zijn stafje en toen leefde iedereen nog lang en gelukkig. Tot er… een boze trol kwam! Maar de tovenaar hield ook hem tegen.’

De goeien worden ineens slechteriken en de slechteriken opeens goed. Niet één karakter maar complete rassen.

De helft van het boek is sfeerverslag, de andere helft ruimtescheepjes tegen elkaar slaan. Geen nieuwe inzichten, geen grote ideeën, slaapverwekkend en zonde van je tijd.